



 |
European Duchenne Parent Meeting
Richtlijnen voor de optimale zorg voor Duchenne patiënten
Voorwoord
Op 7 en 8 november 1997 organiseerde de Nederlandse afdeling van het Duchenne Parent
Project, onder leiding van Elizabeth Vroom, in Rotterdam de eerste Europese bijeenkomst
voor deskundigen en ouders van kinderen met Duchenne Spierdystrofie. Een van de
doelstellingen van de bijeenkomst, die werd voorgezeten door professor Victor Dubowitz
(Londen), was om ouders en deskundigen samen te brengen teneinde hen te informeren over de
optimale behandeling voor Duchenne patiënten en de laatste ontwikkelingen op het gebied
van het onderzoek naar genezing voor Duchenne spierdystrofie. De lezingen van de
deskundigen en de discussies die daarop volgden zijn samengevat in een verslag dat in mei
1998 is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift The Journal of Neuromuscular
Disorders. Een ander doel was het opstellen van een consensus rapport voor gebruik door
ouders en (para) medici, dat was gebaseerd op deze samenvatting en eventuele aanvullende
informatie en zou kunnen gelden als een internationale "Standard of Care" , die
de richtlijnen bevat voor de optimale medische en sociale zorg voor Duchenne patiënten.
De richtlijnen geven de kennis en meningen weer van veel deskundigen anno 1998. In de loop
der tijd zullen de feiten veranderen, zal het onderzoek voortschrijden, zullen er meer en
betere behandelmethodes beschikbaar komen en zal de hele zienswijze mogelijk veranderen.
Dit houdt in dat deze richtlijnen van tijd tot tijd zullen moeten worden bijgesteld.
De hoofdstukken zijn gerangschikt naar de verschillende fases van de ziekte. De hierbij
genoemde leeftijden kunnen echter per individu verschillen. De onderwerpen die in elk
hoofdstuk worden besproken behoren voornamelijk tot die bepaalde fase, maar veel
onderwerpen zijn voor meer dan één bepaalde fase van belang. Het inleidende hoofdstuk
bevat enige elementaire informatie voorafgaand aan de besprekingen van de specifieke
stadia.
Hoofdstuk 1:
Inleiding
Het klinische beloop
Duchenne spierdystrofie is een erfelijke ziekte die vrijwel uitsluitend bij jongens
voorkomt. Over het algemeen verschijnen de eerste klinische symptomen als zij tussen de 18
maanden en 3 jaar oud zijn. Deze symtomen zijn: laat kunnen lopen, moeilijkheden bij het
opstaan van de grond, vaak vallen en moeite bij het beklimmen van trappen door algehele
spierzwakte. Bovendien hebben zij abnormaal dikke kuitjes. Als zij 5 tot 6 jaar oud zijn,
ontwikkelen zich contracturen (verkortingen) of stijfheid in de voet-, knie- en
heupgewrichten. De voortschrijdende afbraak van de spieren resulteert bij een leeftijd van
10 tot 12 jaar in het verlies van het loopvermogen (ambulantie). Orthopedische operaties
kunnen het onstaan van contracturen vertragen en lange beenbeugels of spalken kunnen de
periode dat het kind kan lopen verlengen. Als lopen te moeilijk wordt, helpt de
elektrische rolstoel het kind weer mobiel te worden en te blijven. Als het noodzakelijk is
en als de patiënt en de ouders dit wensen, kan een toenemende vergroeiïng van de
wervelkolom (scoliose) operatief gecorrigeerd worden. Ademhalingsproblemen kunnen
verholpen worden door de jongens eerst alleen `s nachts en later, rond de leeftijd van 20
tot 25 jaar, permanent te beademen. De ontwikkeling van optimale behandelmethodes heeft de
levensverwachting van de patiënten doen toenemen van ongeveer 15 jaar in de jaren zestig
tot 30 en in enkele gevallen 40 jaar of ouder. Maar zelfs nu sterven er patiënten voor
hun twintigste vanwege niet te behandelen of niet tijdig onderkende hartproblemen of
longinfecties.
Intelligentie
Veel jongens hebben een normale intelligentie. Dystrofine lijkt echter ook belangrijk te
zijn voor de hersenfunktie. Jongens met de ziekte van Duchenne missen ook in hun hersenen
het dystrofine. Dit kan leiden tot een niet progressieve mentale retardatie en
gedragsproblemen die vragen om speciale aandacht en mogelijk om speciaal onderwijs.
Erfelijkheid
Duchenne spierdystrofie is één van de meest voorkomende erfelijke ziektes bij mensen en
dieren. Ongeveer één op de 4000 jongens, onafhankelijk van hun etnische afkomst, wordt
geboren met deze ziekte, die veroorzaakt wordt door een mutatie of beschadiging van het
Duchenne- of dystrofine gen. Het dystrofine gen is gelocaliseerd op het X-chromosoom en de
structuur werd bepaald in 1986. Met ongeveer 2,5 miljoen baseparen is het het langste gen
dat ooit beschreven is. Uitgestrekt is de totale lengte 0.84mm. Hiervan bevatten 13.973
baseparen de genetische informatie die nodig is om het eiwit dystrofine te vormen. Deze
baseparen zijn gegroepeerd in 79 exonen. De langere basepaar-fragmenten tussen de exonen
-die geen codes voor het dystrofine gen bevatten- heten intronen. Jongens hebben in alle
lichaamscellen naast hun Y-chromosoom slechts één X-chromosoom. Hierdoor kan een
beschadiging op het X-chromosoom niet gecompenseerd worden. Vrouwen hebben echter twee
X-chromosomen in al hun lichaams- of somatische cellen. Hierdoor kan een intakt
dystrofine-gen op het ene X-chromosoom compenseren voor het beschadigde gen op het andere
X-chromosoom. Hierdoor hebben vrouwen, zelfs als zij een beschadigd dystrofine gen hebben,
meestal geen klinische symptomen. Dit betekent dat Duchenne Spierdystrofie wordt
overgeërfd op X-chromosomale recessieve ofwel geslachtsgebonden wijze en de ziekte naar
de volgende generatie overgebracht kan worden door een moeder die geen klachten heeft, de
zogenaaamde genetische draagster.
Het risico dat de kinderen van draagsters het beschadigde gen erven is 50%, waardoor 50%
van de jongens de ziekte krijgen en 50% van de meisjes op hun beurt draagster zullen
worden. Dit risico blijft hetzelfde voor alle volgende kinderen van deze moeder, en is
niet lager in gezinnen waar al een kind de ziekte heeft. Er zijn dan ook families met 2 of
meerdere zonen met de ziekte van Duchenne. Aan de andere kant kan het zijn dat de moeder
draagster is maar dat de ziekte in de familie onbekend is omdat geen broertjes of ooms het
beschadigde gen hadden geërfd, of omdat bij hen een onjuiste diagnose was gesteld.
Als slechts één jongetje in de familie de ziekte heeft, is het niet bekend of de moeder
al dan niet draagster is. In zo'n geval kan de ziekte veroorzaakt zijn door een nieuwe
mutatie, ofwel een beschadiging van het gen in de bevruchte eicel. Het is ook mogelijk dat
de moeder meerdere eicellen met het beschadigde gen heeft door zogeheten kiemcel
mosaïcisme, veroorzaakt door een eerdere mutatie gedurende de ontwikkeling van de moeder.
Hierdoor wordt het risico op nog een zoon met Duchenne Spierdystrofie bij een moeder die
al een zoontje met de ziekte van Duchenne heeft, verhoogd tot ca 7%.
Meisjes met Duchenne Spierdystrofie
In zeer zeldzame gevallen kunnen meisjes of vrouwen kunnen ook een vorm van Duchenne
spierdystrofie vertonen (de zogenaamde manifeste draagsters). De ernst van de afwijking
kan variëren van mild (te vergelijken met Beckerspierdystrofie) tot hetzelfde beeld als
bij jongens met Duchenne Spierdystrofie. Ongeveer 10% van de vrouwen met de diagnose
Limb-girdle spierdystrofie hebben in feite een mutatie in het dystofine-gen. Het is daarom
belangrijk dat bij meisjes een juiste en exacte diagnose wordt gesteld alvorens ze als
Duchenne patientjes te behandelen.
Pathogenese
Het dystrofine gen bevat de genetische informatie voor het eiwit dystrofine. Dit zeer
grote eiwit is opgebouwd uit 3.685 bouwstenen ofwel aminozuren, en is 125 nanometer lang.
Met andere woorden 8.000 dystrofinemoleculen op een rijtje zijn samen bijna een milimeter
lang. Dystrofine zit op de binnenkant van de celmembraan (celwand) van de spiercel en is
met een aantal andere eiwitten verantwoordelijk voor de mechanische stabiliteit van de
spiercel.
Bij ongeveer 60% van de Duchenne patiënten ontbreken delen van het dystrofine-gen, en bij
5% worden delen van het gen verdubbeld. Bij de overige 35% van de patiënten veroorzaken
zogenaamde punt mutaties , dat zijn base-substituties -het ontbreken of verdubbelen van
een paar baseparen- de spierzwakte. Al deze typen mutaties kunnen al dan niet het leesraam
van het dystrofine gen verstoren. Soms kan de genetische informatie nog wel worden gelezen
maar is het leesraam enigszins gewijzigd (door een zogenaamde in-frame mutatie) dan zal
het dystrofine langer of korter zijn dan normaal of de hoeveelheid verminderd en daarom
slechts deels functioneel: dit leidt tot Becker spierdystrofie, de mildere vorm
Het wetenschappelijke onderzoek naar een genezing of behandeling
Het doel van een effectieve en langdurige therapie is om de functie van het dystrofine te
herstellen. Enerzijds worden de mogelijkheden onderzocht om het correcte dystrofine-gen in
te brengen (gentherapie). Anderzijds wordt onderzocht of het mogelijk is middels meer
conventionele methodes (geneesmiddelen) de gevolgen van het ontbreken van dystrofine te
beperken. De directe toepassing van het eiwit dystrofine door het te injecteren in de
spieren of via de bloedbaan is niet mogelijk, aangezien het grote molecuul de celmembranen
niet kan passeren. Het toedienen van dystrofine als een oraal medicijn is niet effectief
omdat het spijsverteringsstelsel het volledig zou vernietigen.
Gentherapie
Gentherapie voor Duchenne spierdystrofie moet een aantal problemen overwinnen: (1) Het
ingebrachte gen moet alleen actief worden in de zieke dwarsgestreepte spiercellen. (2) Het
aangemaakte dystrofine moet verankerd worden aan de binnenkant van de spiercelmembraan in
zijn natuurlijke ordening. (3) Het aangemaakte dystrofine moet geen reactie van het
immuunsysteem opwekken, waardoor het zou worden afgestoten. En (4) om praktische redenen
moet toediening van het therapeutische gen via de bloedbaan, de zogenaamde systemische
benadering, mogelijk zijn omdat anders het hart en de ademhalingsspieren niet bereikt
kunnen worden.
Transplantatie van myoblasten
De eerste gentherapeutische benadering was de transplantatie van voorloper- spiercellen,
myoblasten, door veelvuldige injecties in de zieke spieren. Deze myoblast transplantatie
had slechts effect bij de een gering percentage pasgeboren mdx muizen zonder normaal
immuunsysteem. De daaropvolgende studies bij de mensen die werden gepubliceerd in de
periode 1991-1998 toonden aan dat myoblast transplantatie op dit moment te weinig
efficiënt is om een positief resultaat op te leveren voor Duchenne patiënten. In
meerdere laboratoria wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de efficiëntie van
deze methode aanzienlijk te verhogen.
Virale vectoren
In vele onderzoekslaboratoria over de hele wereld bestudeert men het inbrengen van het
dystrofine-gen in de spiercellen door virussen als transportmiddelen (vectoren) te
gebruiken. Verschillende typen virale vectoren zijn uitgebreid geanalyseerd. In 1998 lijkt
het inbrengen van het gen met als transportmiddel gemodificeerde adenovirussen de meest
veelbelovende benadering. Adeno virussen veroorzaken normaal alleen verkoudheid. Voor dit
doel werden alle genen van het virus die coderen voor virale eiwtten verwijderd en
vervangen door exonen sturen verwijderd en vervangen door alle actieve delen, de exonen
van het dystrofine gen die onder controle staan van de MCK promotor. Deze promotor, een
gen regelaar, is nodig om het dystrofine-gen alleen in de spiercellen te activeren. Nadat
de eigen genen van deze adenovirussen verwijderd zijn, zijn zij in staat om het grote
dystrofine-gen te vervoeren, maar veroorzaken geen vermenigvuldiging van het virus zelf en
ook geen immuun afstoting. Aangezien alleen de spiercellen een bepaald eiwit bevatten dat
reageert op de MCK promotor, wordt het nieuwe dystrofine uitsluitend in de spiercellen
geproduceerd. Onderzoeken bij mdx muizen die lijden aan spierdystrofie hebben aangetoond
dat deze adeno-virale vectoren effect hebben en experimenten met honden die aan
spierdystrofie lijden, en waarbij het ziekte beloop meer op dat bij de mensen lijkt,
worden momenteel uitgevoerd. Bovendien worden de eerste pilot studies met Duchenne
patiënten gepland.
Overige onderzoeken
Voor en vlak na de geboorte ziet men bij kinderen op de plaats waar dystrofine op de
celmembraan zit (of hoort te zitten), een eiwit dat erg op dystrofine lijkt, het zgn
utrofine. Bij jonge kinderen met de ziekte van Duchenne vindt men meer utrofine dan bij
andere kinderen. Dit eiwit kan gedeeltelijk compenseren voor het ontbrekende dystrofine.
Momenteel wordt onderzocht of het mogelijk is om de productie van dit eiwit waarvoor deze
kinderen wel de genetische informatie bezitten verder op te voeren middels reeds bestaande
geneesmiddelen. Men noemt dit activeren van het utrofine-gen "opregulatie".
Daarnaast zal bezien moeten worden in hoeverre het utrofine in staat is de functie van het
dystrofine over te nemen. Bovendien wordt bij muizen onderzoek gedaan middels inspuiting
in de bloedbaan van eigen beenmergcellen die het dystrofine-gen bevatten, in de hoop dat
deze cellen een bijdrage kunnen leveren aan herstel van het beschadigde spierweefsel.
Vooralsnog lijkt deze techniek, net als de transplantatie van myoblasten te weinig
efficiënt. En tenslotte wordt onderzocht of fibrose, die de verkortingen veroorzaakt en
het regenereren van de spieren verhindert, reeds kort na de geboorte door medicijnen kan
worden afgeremd.
Uit deze samenvatting mag blijken dat Duchenne spierdystrofie het onderwerp is van actieve
onderzoeksprojecten in veel laboratoria. Toch moet de tijd die nodig is om een remedie te
vinden bekort worden doordat er meer laboratoria bij betrokken raken en er meer
financiële steun wordt gevonden. Tijd is van essentieel belang voor kinderen die elke dag
zwakker worden. Kinderen die nu met deze ziekte worden geboren hebben een veel grotere
kans dan ooit tevoren dat er tijdens hun leven een effectieve remedie zal worden gevonden.
Daarom moet al het mogelijke worden gedaan om de spieren van alle Duchenne patiënten in
een zo goed mogelijke conditie te houden. Een toekomstige effectieve therapie zal immers,
hoewel het zeer waarschijnlijk wel de verdere spierafbraak zal kunnen tegenhouden, vrijwel
zeker niet kunnen leiden tot de nieuwe aangroei van de spieren die al verloren zijn.
Medische en sociale behandeling van Duchenne patiënten
Het gezin zal een langdurige positieve relatie met een kinderarts of huisarts nodig hebben
die beschikbaar dient te zijn voor overleg en advies, om toezicht te houden op elke
medische behandeling, en om samen te werken met de fysiotherapeut en andere deskundigen
die de patiënt nodig kan hebben, zoals bijvoorbeeld een psycholoog. Het zou ideaal zijn
als een dergelijke arts speciale kennis van spierziektes had door ervaring met andere
Duchenne patiënten of door een speciale scholing. Hij of zij dient collega's te kennen
van het dichtstbijzijnde universitaire instituut voor spierziektes en de Duchenne
patiënten- en ouderverenigingen van zijn of haar land en hij of zij dient open te staan
voor advies van deskundigen indien dit nodig is om voor zijn of haar patiënt te zorgen.
Gewichtsbeheersing
Voeding moet uitgebalanceerd zijn, veel proteïnes en vitamines bevatten en weinig vetten.
Het is van het grootste belang kinderen met de ziekte van Duchenne niet te belonen of te
troosten met chocolade of andere zoetigheden. Te veel en ongezond eten leidt tot
zwaarlijvigheid en vormt zo een onnodige belasting voor de spieren die al zwak zijn.
Zolang de patiënt in staat is te lopen, moet hij zo vaak mogelijk op de been zijn.
Risico's bij anesthesie (algehele verdoving of narcose)
Als een kind met Duchenne spierdystrofie algehele anesthesie krijgt, kunnen er een aantal
ernstige problemen ontstaan die geminimaliseerd kunnen worden door te kiezen voor een
optimale combinatie van anesthetica (verdovingsmiddelen), een zorgvuldige evaluatie van de
ademhaling- en hartfuncties van het kind en een intensieve controle tijdens en na de
operatie. De anesthetica mogen beslist niet de spierverslapper succinylcholine en het
inademingsmiddel halothane bevatten, aangezien deze medicijnen levensbedreigende
complicaties kunnen veroorzaken, zoals maligne hyperthermie (verhoogde stofwisseling met
zeer hoge koorts), rhabdomyolyse (versterkte afbraak van de spieren) en
hartritmestoornissen. Niet-depolariserende spierverslappers zoals vecuronium, atracurum en
mivacuronium kunnen veilig worden toegepast, zij het in een geringere dosis. Enflurane en
isoflurane in plaats van halothane dienen ook te worden vermeden. De dosering van alle
andere verdovingsmiddelen moet met zorg worden uitgekozen, aangezien deze allemaal de
hartfunctie verminderen, die vaak reeds verzwakt is bij patiënten met Duchenne
spierdystrofie, vooral in de latere stadia. Daarom is het belangrijk - en bij grote
operaties zelfs verplicht- om voor de operatie uitgebreide controles te doen, zoals een
hartecho, elektrocardiogram, longfunctietests en bloedgasanalyses. Het is derhalve van het
grootste belang om de anesthesist ruim voor de operatie te informeren over de medische
geschiedenis van het kind.
Individuele behandeling
De mogelijkheden voor de behandeling van Duchenne spierdystrofie die in deze richtlijnen
worden beschreven, kunnen niet als vervanging dienen voor de uitgebalanceerde
therapeutische maatregelen voor elke individuele patiënt. Zo zijn zij ook niet bedoeld.
De toepassing van mogelijke en verplichte therapeutische maatregelen, en de mate waarin
dit gebeurt, hangt per patiënt af van verschillende factoren die zorgvuldig met de
patiënt, zijn familie, zijn huisarts en de andere deskundigen overwogen moeten worden.
Hoofdstuk 2
Fase 1
Geen of zeer geringe klinische symptomen.
Leeftijd tot ongeveer 3 jaar.
In deze zeer vroege fase, wanneer de eerste klinische tekenen zich voordoen en een
spierziekte wordt vermoed, is het absoluut noodzakelijk een nauwkeurige diagnose te
stellen. Aangezien deze richtlijnen gelezen zullen worden door ouders met een zoon bij wie
de diagnose zeer waarschijnlijk al gesteld is, moet het benadrukt worden dat jonge jongens
in hetzelfde gezin en in de familie waaraan de moeder gerelateerd is ook op de ziekte
onderzocht dienen te worden indien de moeder een draagster is, omdat Duchenne
spierdystrofie een erfelijke ziekte is. Als het bewezen is dat de moeder geen draagster is
hebben alleen haar eigen kinderen een mogelijk verhoogd risico door kiemcelmosaïcisme.
Klinische diagnose
Kinderen met Duchenne spierdystrofie worden geboren zonder duidelijke klinische symptomen
van de ziekte. Als er geen speciale diagnostische maatregelen worden genomen om een
spierziekte te ontdekken, wordt de ziekte vaak niet herkend tot op de leeftijd van twee
tot drie jaar, wanneer de grootouders, de ouders en de huisarts - vaak in deze volgorde! -
de eerste afwijkingen in ontwikkeling ontdekken, bijvoorbeeld als het kind met 18 maanden
nog niet is begonnen te lopen, problemen heeft bij het beklimmen van trappen, opstaat door
zich met zijn handen langs zijn dijen op te duwen (men noemt dit de Gowers manoeuvre), en
dikke kuitjes ontwikkelt. Als er in deze fase niet direkt aan een spierziekte gedacht
wordt, begint het gezin vaak een diagnostische zoektocht die vele maanden duurt, waarbij
zij de ene arts na de ander zonder succes raadplegen totdat zij uiteindelijk iemand vinden
die gespecialiseerd is in zenuw- en spierziektes.
Een optimale behandeling van een kind met een spierziekte is echter afhankelijk van een
vroege en nauwkeurige diagnose. Binnen de groep van spierziektes bestaan er zeer veel
verschillende vormen, gekenmerkt door uiteenlopende ernst van de symptomen en progressie,
met verschillende vormen van erfelijke overdracht, die daarom leiden tot diverse
complicaties op verschillende momenten: verlies van spierkracht, verkortingen,
loopproblemen, vergroeiïng van de wervelkolom of scoliose en beperkingen van de
longfuncties. De differentiële diagnose, d.w.z. de beslissing dat de symptomen worden
veroorzaakt door Duchenne spierdystrofie en niet door een andere vorm van neuro-musculaire
ziekte is gebaseerd op de resultaten van een aantal specifieke diagnostische procedures.
Onderzoekstechnieken
Het eenvoudigste onderzoek, dat direct uitgevoerd dient te worden zodra een spierziekte
vermoed wordt, is de bepaling van het eiwit creatine kinase (CK) in het bloedserum. Dit
eiwit is een enzym dat een belangrijke rol speelt in het transport en de opslag van
chemische energie in de spieren. Als de spiercel beschadigd is, zoals bij Duchenne
Spierdystrofie, kan dit eiwit in de bloedbaan terecht komen. Omdat creatine kinase met
name in de spiercellen voorkomt, duidt een positieve CK test (meer dan 1.000 eenheden per
liter) op een proces van spierafbraak, mogelijk veroorzaakt door Duchenne Spierdystrofie.
Een hoge CK waarde op zich zegt niet dat het kind zeker Duchenne Spierdystrofie heeft,
maar is een aanwijzing dat een kind mogelijk een vorm van spierdystrofie heeft.
Een aantal specifieke onderzoeksmethoden zijn beschikbaar, maar moeten het kind niet
onnodig bang maken. De registratie van de electrische activiteit in de spieren door een
electromyogram (EMG) is zeer pijnlijk wanneer naaldlectroden worden gebruikt, en moet om
die reden niet gedaan worden bij kinderen bij wie door een hoge CK waarde en andere
bevindingen, zoals dikke kuitjes, reeds Duchenne Spierdystrofie wordt vermoed. Een EMG met
elektroden op de huid kan eventueel gebruikt worden, maar een spierecho geeft evenveel
informatie, is pijnloos, en de kinderen kunnen zelf hun spieren op het scherm zien.
Computer tomografie scans met röntgenstralen moeten niet bij kinderen toegepast worden
als een precieze vaststelling van de spierstructuur gewenst is; magnetische resonantie
beelden (MRI) geven dezelfde resultaten zonder het gebruik van schadelijke straling.
Ondanks de beschikbaarheid van genetische tests is in de meeste gevallen nog een
spierbiopsie nodig, d.w.z. het nemen van een monster van spierweefsel, tenzij er al andere
Duchenne patiënten in de familie bekend zijn. Maar aangezien voor het
immunohistochemische dystrofine slechts zeer kleine hoeveelheden weefsel nodig zijn, geeft
men de voorkeur aan naaldbiopsie boven een open biopsie. Het voordeel van de naaldtechniek
is dat het onder plaatselijke verdoving kan geschieden na sedatie met chloorhydraat. Er
kan meer dan één spiermonster worden genomen via dezelfde incisie en dit is voldoende
voor de analyse van het eiwit dystrofine. Immunohistochemische onderzoek met verschillende
anti-lichamen maken het mogelijk Duchenne te onderscheiden van andere vormen van
spierdystrofie (zoals bijv Limb-Girdle- of Becker spierdystrofie).
Moleculaire diagnose
In de meeste gevallen kan men een bevestiging vinden van de klinische diagnose Duchenne
spierdystrofie op basis van het DNA (geïsoleerd uit de leukocyten van een bloedmonster)
onderzoek. In veel gevallen kan men hieruit het klinische beloop voorspellen. Via de
genetische counselors kan, indien gewenst, onderzoek naar draagsterschap van Duchenne
Spierdystrofie worden aangevraagd voor de vrouwelijke bloedverwanten van de patiënt,
moeders en zusjes en eventueel tantes en nichtjes. Er wordt dan gekeken of bij hen
dezelfde mutatie in het DNA van het dystrofine gen aanwezig is als bij de patiënt in de
familie. Wanneer de moeder geen draagster is, hebben haar zussen en vrouwelijke
bloedverwanten -uit dezelfde generatie- geen verhoogd risico. Wel hebben haar dochters
door mogelijke kiemcelmosaïcisme een risico van 7% om draagster te zijn.
Als er, zoals bij 35% van alle patiënten het geval is, geen deletie of duplicatie wordt
gevonden en er meer patiënten in dezelfde familie voorkomen, kunnen speciale markers (of
STR's) in en rondom het gen de overerving van het gen binnen de familie volgen, zonder dat
het nodig is om de precieze mutatie zelf te kennen. Als een jongetje met klinische
symtomen en een hoge CK waarde, maar zonder familieleden met Duchenne Spierdystrofie, geen
deletie of duplicatie heeft, kan aangenomen worden dat hij een kleine mutatie heeft. Er
zijn diverse methoden beschikbaar om kleine mutaties te traceren, maar dit zijn
tijdrovende en kostbare onderzoeken en worden derhalve niet zonder meer gedaan.
Uiteindelijke diagnose
In het algemeen zijn zowel de dystrofine bepaling in het spierbiopt als de DNA
(genetische) analyses nodig om een definitieve diagnose te stellen. Een biopsie is niet
altijd nodig bij een volgende patiënt in hetzelfde gezin wanneer er geen twijfel bestaat
over de klinische en biochemische gegevens. Maar de uiteindelijke diagnose met betrekking
tot de klinische ernst en de prognose van de ziekte moet altijd door een ervaren
specialist (kinderarts of neuroloog) worden verricht, omdat er uitzonderingen zijn op de
voorspellende waarde van de genetische tests.
Als er met zekerheid sprake is van Duchenne spierdystrofie is het belangrijk dat de
resultaten van de diagnostische onderzoeken op een medelevende manier aan de ouders worden
meegedeeld, zonder dat er derden bij zijn en met voldoende tijd om alle vragen over de
prognose, de verzorging van de patiënt en de gevolgen voor het hele gezin gedetailleerd
genoeg te bespreken zonder dat er medische termen worden gebruikt die niet uitgelegd zijn.
Genetisch advies
Nadat er bij een kind Duchenne spierdystrofie is vastgesteld is het zéér raadzaam voor
de volgende zwangerschap bij de moeder, of haar vrouwelijke familieleden van dezelfde
generatie, advies in te winnen, zo mogelijk van een geneticus die gespecialiseerd is in
neuro-musculaire ziektes. Het spreekt vanzelf dat de adviseur (counselor) hen zoveel
informatie dient te geven als nodig is in voor hen begrijpelijke taal, zodat zij hun eigen
beslissingen kunnen nemen in het licht van hun toekomstplannen.
Het precieze herhalingsrisico voor vrouwelijke familieleden van een patiënt hangt af van
de exacte diagnose van de patiënt zelf en van de dragerstatus van de vrouwen die advies
inwinnen. Als er nog geen diagnostische onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de adviseur die
op verzoek starten en alle medisch-wetenschappelijke rapporten opvragen. De precieze
drager diagnose is van cruciaal belang voor elke vrouw die een risico loopt: diegenen wier
kans op een kind met Duchenne spierdystrofie verhoogd is, dienen een prenatale diagnose
aangeboden te krijgen in een vroeg stadium van de zwangerschap. Het belang van een risico,
of het nu hoog of laag is, moet in ieder geval worden uitgelegd en benadrukt moet worden
dat er ook bij een laag risico de kans bestaat dat er een kind met de aandoening wordt
geboren. Het is ook belangrijk te begrijpen dat het herhalingsrisico gelijk blijft voor
elk volgend kind binnen een gezin, onafhankelijk of er al een kind met de ziekte is of
niet.
Verantwoordelijkheid voor de mutaties
Mutaties komen voor als gevolg van de fundamentele natuurwetten. Dergelijke incidentele
wijzigingen in de genetische informatie waren noodzakelijk voor de ontwikkeling van leven
en de evolutie naar steeds complexere organismen. De meeste van deze biologische en
fysieke processen, zoals bijvoorbeeld celdelingen en kosmische stralen, kunnen op geen
enkele manier worden gewijzigd of beïnvloed. Daarom is geen mens verantwoordelijk of
verantwoordelijk te stellen voor schadelijke mutaties in zijn of haar genen. En in het
bijzonder is geen enkele moeder schuldig aan de mutatie die een erfelijke ziekte zoals
Duchenne spierdystrofie bij haar zoon veroorzaakte en kan haar dit niet worden
aangerekend!
Prenatale diagnose
De meest praktische procedure is een chorionvlokken test, een biopsie techniek waarbij
foetale cellen uit de placenta worden gezogen via de baarmoederhals of de buikwand. Deze
techniek kan al in de tiende week van de zwangerschap worden toegepast, maar houdt een
risico van 1-2% in op het veroorzaken van een abortus (miskraam). Aan de hand van het
genetische materiaal dat verkregen wordt uit de foetuscellen wordt allereerst gekeken of
het een jongetje of een meisje is. Als het een jongetje is dan dient het materiaal
vervolgens middels moleculaire diagnostische methodes onderzocht te worden op dezelfde
mutatie die in het eerste getroffen kind is gevonden.
Een vruchtwaterpunctie, het afnemen van een paar milliliter vruchtwater, kan niet worden
uitgevoerd voor de 14de of 15de week van de zwangerschap. Hierbij is het risico op een
abortus (miskraam) 0,5-1%. Meestal moeten de enkele foetale cellen die verkregen zijn nog
2 weken op kweek worden gezet voordat analytische technieken kunnen worden toegepast. Soms
kunnen ze ook direkt worden onderzocht op de wijze die in de vorige alinea is beschreven.
Vervolgconsulten
In de jaren na de diagnose zal het regelmatig nodig zijn om contact te hebben met ervaren
medische en sociale deskundigen. Tijdens deze consulten kunnen het probleem van
erfelijkheid en psycho-sociale factoren, zoals de opvoeding, school en het beroep worden
besproken. Hierbij dient te worden gewezen op het grote aantal mogelijkheden om hulp te
krijgen. De ouders dienen te worden bijgestaan in hun eerste contacten met de plaatselijke
gezondheidsdiensten. De patiënten- en ouderverenigingen in de verschillende landen kunnen
vaak onmiddellijke hulp bieden via hun patiëntenzorgdiensten. Het is ook belangrijk om
contacten te leggen tussen gezinnen die met dezelfde problemen te maken hebben, via
persoonlijke ontmoetingen of via nieuwbrieven op een nationaal en internationaal niveau.
Hoofdstuk 3
Fase II
Lichte spierzwakte en het begin van bewegingsbeperkingen
Leeftijd van ongeveer 3 tot 6 jaar
In deze vroege fase komen de eerste specifieke symptomen van de ziekte aan het licht:
zoals verminderde spierkracht en de eerste bewegingsbeperkingen in het normale volledige
bereik van de gewrichten. De kinderarts van het gezin en de fysiotherapeut die
gespecialiseerd is in neuro-musculaire ziektes moeten samenwerken en als hun eerste doel
stellen de individuele spierfuncties van het kind zo lang mogelijk te versterken en te
beschermen. Beiden dienen de ouders hierbij te betrekken, zodat die zelf de behandelingen
en oefeningen kunnen uitvoeren. Bovendien kunnen zij het beste opkomen voor hun zoon,
omdat zij hem het beste kennen, weten wat hij nodig heeft, wat het beste voor hem is en
wat zijn mogelijkheden en beperkingen zijn. In veel gevallen zullen zij beslissingen
namens hem kunnen nemen.
Behoud van spierkracht
Normale lichaamsactiviteiten moeten worden toegestaan of aangemoedigd, zoals het kind het
wenst. Overdreven krachttraining of prestatiesporten die te zwaar zijn voor het kind
moeten worden vermeden. Lopen en andere lichaamsactiviteiten moeten aangemoedigd worden
naar gelang de individuele mogelijkheden van het kind. Dit soort fysieke belasting is niet
alleen onschadelijk maar juist goed. Zwemmen is een nuttige oefening, evenals snorkelen,
en moet vroeg worden aangeleerd. Elke stijl, behalve de vlinderslag, wordt aanbevolen. Een
verhoogde watertemperatuur tussen 28 en 31 graden Celsius verdient de voorkeur, maar dit
is niet altijd gemakkelijk te vinden en niet absoluut noodzakelijk. Fietsen op een fiets,
driewieler of hometrainer wordt aanbevolen. Het beoefenen van diverse balspelen, waaronder
voetbal, moet worden gestimuleerd. Bovendien dient het kind aangemoedigd te worden
zichzelf aan te kleden en zoveel mogelijk zijn eigen dagelijkse behoeftes zelfstandig te
verzorgen.
De jonge patiënten zijn kinderen, daarom moeten alle oefeningen op een speelse manier
worden aangeboden en alleen worden uitgevoerd in zoverre als de -verminderend- spierkracht
dit toelaat. Op geen enkele wijze moeten de fysieke mogelijkheden van andere kinderen tot
doel of voorbeeld worden gesteld. De eerste gewrichten waarbij contracturen (verkortingen)
optreden, de heupen, knieën en enkels, moeten tijdens deze activiteiten volledig in alle
richtingen bewegen. De kinderen, en vooral die kinderen die de neiging hebben passief te
zijn, moeten rekoefeningen worden gedaan. Wanneer de ouders de aanvullende dagelijkse
stretch-oefeningen leren uit te voeren volgens de instructies van een ervaren
fysiotherapeut kunnen zij die zoveel mogelijk in het spel van het kind opnemen. Onnodige
bedrust moet vermeden worden, bijvoorbeeld in het geval van onschuldige koorts. Als het
nodig is langer dan twee dagen het bed te houden, moeten er periodieke actieve oefeningen
voor de bekkengordel worden uitgevoerd. Het kind moet ongeveer 5 keer per dag 5 tot 10
minuten rechtop worden gezet.
Fysiotherapie
Hoewel er geen consensus bestaat over het belang van fysiotherapie voor jongens met
Duchenne spierdystrofie kan fysiotherapie een vertragende invloed hebben op het
ontwikkelen van spierzwakte en verkortingen. Bovendien is fysiotherapie nodig om een goede
balans te ontwikkelen en het kind aan te moedigen tot nieuwe activiteiten. Fysiotherapie
kan alleen effect hebben zolang de gewrichten zich vrij in alle richtingen kunnen bewegen
en zolang de antagonistspieren niet verkort zijn. Reeds in deze vroege fase, bij een
leeftijd van 4 tot 5 jaar, komen lichte beperkingen in het bewegingsbereik van de
gewrichten aan het licht. Heup-, knie- en enkelgewrichten kunnen niet langer normaal
worden gestrekt en heupadductie wordt enigszins beperkt, d.w.z. de benen kunnen niet
helemaal worden gesloten.
Nachtspalken
Hoewel de meningen verdeeld zijn over het dragen van enkelbeugels of nachtspalken, omdat
vertraging van de ontwikkeling van verkortingen niet wetenschappelijk kon worden bewezen,
worden ze meestel wel aanbevolen. Als ze reeds in een vroeg stadium en regelmatig worden
gebruikt, kunnen de kinderen eraan wennen en kunnen de spalken in vele gevallen de
ontwikkeling van contracturen vertragen.
Vroege orthopedische behandelingen
Wanneer de kinderarts en in het bijzonder de fysiotherapeut de eerste tekenen van
beperking in de gewrichten van beide benen bespeuren is het mogelijk de contracturen
(verkortingen) door een orthopedische operatie te verhelpen. Het doel van deze ingreep is
om de jongen zolang mogelijk onafhankelijk te laten lopen, zonder technische hulpmiddelen.
Doordat de ontwikkeling van contracturen (verkortingen) van het knie-. heup- en
enkelgewricht enige jaren wordt vertraagd, hoeft hij minder rekoefeningen te doen en veel
kinderen die deze ingreep ondergaan hebben, hebben langer zonder hulpmiddelen kunnen lopen
dan de kinderen waarbij deze ingreep niet gedaan is. Wanneer het zelfstandig lopen ophoudt
kunnen de geopereerde kinderen lange beenbeugels dragen -zoals beschreven bij fase IV-
zonder of met minimale chirurgische correcties.
In feite zijn er twee verschillende benaderingen die voortkomen uit twee verschillende
filosofieën: de meer conservatieve benadering met een minimum aan operaties aan het einde
van de zelfstandige loopfase op ongeveer 10 jarige leeftijd, of de vroege behandeling met
de uitgebreide operaties bij ongeveer 5 jaar, als de symptomen nog nauwelijks te zien
zijn, maar met minder fysiotherapie gedurende de loopfase.
In het geval de ouders besluiten de vroege operatie te laten uitvoeren, spreekt het
vanzelf dat dit alleen gedaan moet worden in centra met uitgebreide ervaring in de
operatieve procedure, en alleen wanneer de juiste vervolgonderzoeken beschikbaar zijn.
Bij deze vroege orthopedische operaties wordt het beginnende verlies van vermogen om de
heup-, knie- en enkelgewrichten te strekken volledig gecorrigeerd, evenals de beginnende
bewegingsbeperking van het bekken. Dit gebeurt door het vrijmaken van de contracturen en
de gedeeeltelijke verwijdering van de iliotibiale band, dwz een operatie van uitsluitend
weke delen (zachte weefsels) en pezen. Daarna krijgen de spieren weer hun optimale
werkzaamheid terug. Ongeveer drie dagen na de operatie kan het kind weer uit bed en onder
toezicht van een fysiotherapeut rondlopen. De operatie zlef is niet moeilijk uit te voeren
voor een orthopedisch chirurg die ervaring heeft met deze methodes. De lange littekens op
de dijen hebben slechts geringe cosmetische gevolgen.
Behandeling met corticosteroïden
De afgelopen 10 jaar hebben tal van studies het nut van prednisolon bij Duchenne
spierdystrofie getoond. Het belangrijkste probleem wordt gevormd door de bijwerkingen, in
het bijzonder gewichtstoename. De meeste problemen deden zich voor bij patiënten in de
laatste loopfase. De laatste tijd worden steeds meer jonge patientjes behandeld en worden
er verschillende behandelschema's geïntroduceerd om te proberen de bijwerkingen te
voorkomen. Deflazacort, een derivaat van prednisolon is ook getest omdat het minder
bijeffecten zou hebben, maar het wordt in vele landen (waaronder Nederland) niet op de
markt gebracht.
De steroïden prednisolon en deflazacort kunnen de spierverslechtering enkele jaren
uitstellen, mogelijk speelt hun ontstekingsremmende werking hierbij een rol. In een
vergelijkende studie in Duitsland werden deze twee medicijnen met elkaar vergeleken met
als verschil dat deflazacort minder gewichtstoename vertoont dan prednisolon, maar vaker
ontwikkeling van vertroebelingen (cataract) in de ogen . De dosis die in de toekomst naar
alle waarschijnlijkheid zal worden aanbevolen zal 0,75 mg prednison/kg/dag of 0,9 mg
deflazacort/kg/dag zijn. Aangezien de statistische evaluatie van deze studie nog niet is
voltooid kan er op dit moment nog geen precieze aanbeveling voor medicatie gegeven worden
bij een van deze twee steroïden. Als ouders hun zoon met Duchenne met deze medicijnen
willen laten behandelen dient dit uitsluitend te gebeuren in het kader van een
wetenschappelijke studie.
Kleuterschool
In deze fase van hun ziekte zijn jongens met Duchenne slechts zeer licht gehandicapt. Ze
moeten net als alle andere kinderen gewoon naar de kleuterschool bij hen in de buurt gaan.
De kleuterleid(st)er dient echter wel van de ziekte op de hoogte te zijn zodat hij of zij
kan vermijden dat het kind te veel fysieke inspanning ondergaat. Hij of zij moet de
situatie ook uitleggen aan de andere kleuters die normaal gesproken best bereid zijn daar
rekening mee te houden en hun vriend als dat nodig is helpen.
Hoofdstuk 4
Fase III
Toenemende spierzwakte en contracturen
Leeftijd ongeveer 6 tot 10 jaar.
In deze overgangsfase vóór het verlies van ambulantie (het vermogen om zelfstandig te
lopen) zijn de belangrijkste problemen de verdere afname van spierkracht en de
ontwikkeling van toenemende verkortingen in de spieren van de voeten, benen en heupen.
Hierdoor wordt het steeds moeilijker voor de kinderen om hun evenwicht te bewaren tijdens
het lopen. Bij sommige patiënten waarbij de aanvankelijke verkortingen zijn losgemaakt
zullen in dit stadium mogelijk minder problemen hebben dan diegenen die geen vroege
operatie hebben gehad. Derhalve zijn de volgende suggesties alleen van toepassing voor
kinderen die problemen hebben.
Fysiotherapie.
De activiteiten en oefeningen van de vroege fase moeten worden voortgezet. Om de
spierkracht zo goed mogelijk te behouden en de verkortingen zoveel mogelijk tegen te gaan,
kunnen er dagelijks actieve oefeningen met de betreffende spieren worden gedaan met hulp
van de ouders. Zodra er verkortingen ontstaan kan een ervaren fysiotherapeut de ouders
laten zien hoe ze het liefst twee keer per dag de achillespees, de bindweefselband van het
darmbeen tot het onderbeen (iliotibiale band) en de knie-buigspieren kunnen strekken. Het
strekken van de spieren, gewrichtsbanden en gewrichten moet 10 tot 15 keer worden gedaan,
waarbij elke keer het volledige bewegingsbereik van een gewricht wordt gebruikt. Deze
oefeningen moeten elke keer minimaal 10 seconden duren en moeten langzaam worden
uitgevoerd met de actieve medewerking van het kind.
Bovendien worden er aanvullende oefeningen aanbevolen: het buigen van het bovenlichaam
tegen een muur terwijl de voeten plat op de vloer worden gehouden; op de buik liggen bij
het lezen of televisie kijken. De spitsvoethouding dient vermeden te worden door
ondersteuning van het enkelgewricht.
Indien enigszins mogelijk moeten deze oefeningen onderdeel gaan uitmaken van het
speelpatroon van het kind. Ook andere activiteiten kunnen worden overwogen, zoals het
speels stoeien met een volwassene op de vloer, therapeutisch paardrijden, voetbal,
basketbal, gymnastisch ballen en karate. Deze oefeningen verbeteren het evenwichtsgevoel.
Dit is nuttig omdat de kinderen compenserende bewegingen moeten ontwikkelen om hun
evenwicht te bewaren bij het lopen. Al deze oefeningen en activiteiten moeten dagelijks
door familieleden worden uitgevoerd en tenminste tweemaal per maand gecontroleerd door de
fysiotherapeut en eens in de 3 maanden door een (revalidatie)arts. De fysiotherapeut moet
dient ademhalingsmetingen te verrichten om een basislijn vast te stellen en moet alert
zijn op aanwijzingen dat de eerste of volgende orthopedische ingrepen nodig zijn.
Lichtgewicht schoenen met een profiel in de zolen zijn handig, zodat het kind niet op
gladde vloeren kan uitglijden. In dit stadium worden echter geen speciale of orthopedische
schoenen aanbevolen.
School
Aangezien de meeste jongens met Duchenne net zo intelligent zijn als andere kinderen,
kunnen ze en horen ze naar een normale school te gaan. Ook hier moeten de leraren alle
leerlingen en hun ouders vertellen wat voor soort ziekte Duchenne spierdystrofie is, dat
het niet besmettelijk is en dat het niet de schuld van het kind of zijn ouders is dat hij
deze ziekte heeft. Alle kinderen moeten weten dat hun zwakke vriend soms hulp nodig heeft,
maar alleen voor zover dat nodig is. Het is van belang Duchenne kinderen taken te laten
doen die zij nog kunnen uitvoeren, zoals zelfstandig schrijven. Als schrijven met de hand
te moeilijk wordt, moeten zij een computer tot hun beschikking krijgen.
Deelname aan sportactiviteiten zal moeilijk zijn, maar zij moeten niet helemaal van
wedstrijden of andere activiteiten worden uitgesloten. Ze kunnen bijvoorbeeld de rol van
scheidsrechter krijgen. In bepaalde sporten waarbij men niet hoeft te rennen of te staan,
zoals boogschieten, kunnen ze zelfs heel bedreven zijn. Zo mogelijk moet het klaslokaal
makkelijk toegankelijk zijn met hellingbanen of een lift die breed genoeg is voor een
rolstoel. Dat geldt ook voor de toiletten. Het verdient aanbeveling om steeds bijvoorbeeld
een van de oudere leerlingen de verantwoordelijkheid te geven om een dag lang speciaal
voor het gehandicapte kind te zorgen.
Psychologisch advies.
Reeds op jonge leeftijd worden de kinderen zich bewust van hun ziekte en het feit dat er
geen genezing is. Zij beginnen vragen te stellen over het verdere verloop van de ziekte en
de dood. Het is vaak minder beladen wanneer deze onderwerpen thuis of op school meer in
het algemeen besproken worden dan uitsluitend gefocusd op een kind met een fatale ziekte.
In vele landen moeten dienstweigeraars sociaal werk doen. Deze jonge mannen zijn vaak de
beste en meest toegewijde helpers van gehandicapten. In deze fase kunnen zij een goede
gesprekspartner voor de jongens zijn. In sommige gevallen wensen de ouders dat deze vragen
door een psycholoog beantwoord worden of willen zij zelf professionele hulp om beter met
deze vragen en problemen om te kunnen gaan.
Hoofdstuk 5
Fase IV
Verminderd loopvermogen
Leeftijd ongeveer 10 tot 12 jaar.
Ondanks alle goede zorgen zullen de verslechterende spieren het steeds moeilijker maken
voor het kind om zijn evenwicht te bewaren. Zelfstandig lopen wordt vroeger of later
onmogelijk door verlies van spierkracht en het ontstaan van contracturen (verkortingen):
vroeger als er ernstige verkortingen zijn ontwikkeld, en later als deze verkortingen
slechts gering zijn, bijvoorbeeld als ze eerder zijn geopereerd of na een langdurige
behandeling met steroïden. Om de patiënt zo lang mogelijk in een optimale conditie te
houden, kunnen zijn loop- en sta-vermogen een paar jaar worden verlengd middels het
gebruik van lange beenbeugels of orthosen. In de meeste gevallen zal een orthopedische
ingreep nodig zijn voordat de orthosen kunnen worden gebruikt.
Bij het gebruik van lange been beugels loopt het kind met stijve benen wat inhoudt dat het
lopen met lange been beugels buitenshuis vaak niet practisch is. Voor langere afstanden
heeft hij dan ook een electrische rolstoel nodig. Echter, de lange beenbeugels geven het
kind niet alleen de mogelijkheid om binnenshuis te lopen. Maar het maakt het voor ouders,
broertjes of zusjes en verzorgers makkelijker omdat het niet nodig is om hem op te tillen
als hij naar de wc gaat, in bad of naar bed gaat of aangekleed wordt omdat hij met een
klein beetje hulp gewoon rechtop kan staan.. Staan en lopen met lange been beugels rekt
bovendien de beenspieren die de neiging hebben zich te verkorten. Hierdoor kan ook de
intensiteit van de fysiotherapie verminderd worden. Voor het kind is het vaak een
opluchting dat hij net zo vaak per dag kan gaan staan als hij zelf wil, zijn rug en benen
kan strekken en niet de hele dag in de rolstoel hoeft te zitten.
Er zijn echter specialisten die niet voor het gebruik van lange beenbeugels zijn omdat ze
het een onnatuurlijke manier van lopen vinden en daardoor te belastend. Het permanente
gebruik van een rolstoel wordt soms als een makkelijker oplossing gezien. Maar de
positieve gevolgen van het gebruik van lange been beugels voor het dagelijkse leven van
het kind en de voordelen van het vroegtijdig gebruik van een electrische rolstoel waardoor
het kind beter mee kan doen bij het buiten spelen met zijn vriendjes maakt dat het
gecombineerde gebruik van beugels en electrische rolstoel in dit stadium van de ziekte
wordt aanbevolen.
Orthosen en operatieve maatregelen
Zelfstandige ambulantie met lange beenbeugels (orthoses) gedurende een beperkte periode
kan alleen worden bewerkstelligd door de contracturen bij beide benen operatief los te
maken, vooropgesteld dat de spieren nog voldoende functioneren voor een goede rompbalans.
Maar ook als het zelfstandig lopen met orthosen niet meer mogelijk is, kan het gebruik van
lange beenbeugels toch voordelen hebben voor de patiënt om de contracturen tot een
minimum te beperken, zodat de dagelijkse activiteiten van de patiënt en zijn verdere
behandeling vergemakkelijkt worden.
Alleen als de kinderen elke dag nog een paar uur kunnen lopen en staan, kan men positieve
effecten op de ademhaling verwachten en zal de ontwikkeling van vergroeiïng van de
wervelkolom (scoliosis) vertraagd worden. Om deze redenen moeten de patiënt en zijn
familie het belang inzien van het zo lang mogelijk blijven lopen en staan en moet het
permanente gebruik van een rolstoel zo lang mogelijk worden uitgesteld.
De relatief eenvoudige orthopedische operatie en het aanpassen van de orthosen (lange been
beugels) moet gedaan worden als de kinderen aan het einde van hun loopvermogen zijn
(leeftijd ongeveer 10 jaar). Alle verkortingen bij de heupen, knieën of enkels moeten
worden vrijgemaakt door tenotomie, d.w.z. het losmaken van de pezen, zodat de patiënt
lange beenbeugels aangemeten kan krijgen. Deze orthosen moeten gemaakt worden door een
gespecialiseerde orthopedisch technicus. Een veelgebruikt schema voor deze behandeling is:
dag 1, opname in het ziekenhuis en afgietsel maken voor het maken van de orthosen; dag 2:
tweezijdige tenotomie, door de huid heen, van de achillespees en de heupbuigspieren; dag 3
tot 5: bedrust; dag 6: aanpassen van de orthosen en staan met de orthosen; dag 7 en 8: met
en zonder hulp lopen met de orthosen; dag 9: ontslag uit het ziekenhuis. Het is belangrijk
dat overdag bedrust tot een minimum beperkt blijft.
Er is weinig pijn na de operatie, soms bij de hiel, en dit kan makkelijk onderdrukt worden
met de normale medicijnen. De kinderen lopen in de orthosen met gestrekte knieën en
alleen op vlakke ondergrond. Ze moeten ze bijna de hele dag dragen. Een bovenrand op de
orthosen , waarop het kind "zit" tijdens het gebruik is belangrijk om het
evenwicht te bewaren.
Controle onderzoeken
In deze fase van de ziekte, waarbij de patiënt vaak lang in een zittende positie
verblijft, begint zich een scoliosis (vergroeiïng) te ontwikkelen evenals een
bekkenafwijking. De ruggengraat en het bekken moeten nu elk half jaar worden onderzocht
zodat men zo vroeg mogelijk een chirurgische stabilisatie kan overwegen bij het begin van
de volgende fase, de rolstoelfase. Bij deze controle-onderzoeken moet er van voren en van
opzij een röntgenfoto van de ruggengraat worden genomen in een rechtop zittende houding.
Voor een vroegtijdige ontdekking van stoornissen in de longfunctie, moeten de vitale
capaciteit, d.w.z. het maximale volume van uitademing na maximale inademing, en "the
peak flow", d.w.z. het maximale geforceerde uitademingsvolume, minstens twee keer per
jaar worden gemeten vanaf de leeftijd van 9 jaar.
Voorkoming van ademhalingsproblemen
Op dit punt wordt een profylactische ademhalingsoefeningen aanbevolen, samen met
fysiotherapie. Dit moet, zo mogelijk, in het spel van het kind worden opgenomen en bij
voorkeur voor de leeftijd van 9 jaar mee begonnen zijn. Het is belangrijk om ouders te
leren hoe zij ophoping van slijm in de luchtwegen kunnen voorkomen door manuele
ondersteuning van het hoesten en door het kind `s nachts van positie te laten veranderen.
Bovendien dient het uitgelegd te worden hoe ze bij slijmophoping de luchtwegen kunnen
vrijmaken door het bekloppen en trillen van de borst met het hoofd in een lage positie.
Roken is nooit toegestaan in aanwezigheid van het kind. Als er zich in dit stadium
longinfecties met ademhalingsmoeilijkheden voordoen moet de patiënt onmiddellijk in het
ziekenhuis worden opgenomen.
Cardiomyopathie (aandoeningen van de hartspier)
Het eiwit dystrofine is niet alleen afwezig in de spieren van het skelet maar ook in de
hartspieren, dit leidt na verloop van tijd tot een hartprobleem of cardiomyopathie. Dit
wordt gewoonlijk het grootste probleem in de laatste stadia van de ziekte. Sommige jongens
ontwikkelen myocardiale (hartspier) stoornissen voordat er ademhalingsproblemen optreden
en het is vaak moeilijk het echte probleem vast te stellen. Onder de leeftijd van 14 jaar
heeft ongeveer 15% significante hartafwijkingen. De hartproblemen van Duchenne patiënten
worden echter gemaskeerd doordat de afnemende spiermassa een verminderde belasting van het
pompvermogen van het hart vraagt. De meeste patiënten klagen niet over hartproblemen,
omdat zij niet fysiek actief zijn en hun andere problemen groter zijn. Maar elke jongen
moet jaarlijks vanaf de leeftijd van 8 jaar door een cardioloog worden gecontroleerd,
vanaf hun 10de met echocardiogrammen, en vanaf hun 12de jaar middels Doppler techniek om
de myocardiale contractiviteit (samenknijpen van de hartspier) te bepalen. De
diagnostische waarde van elektrocardiografie is beperkt. Voor elke chirurgische ingreep is
het belangrijk de hartfunctie te evalueren. Hartinsufficiëntie moet behandeld worden met
remmers van het angiotensine converterende enzym (ACE remmers). Steroïden voor het
behandelen van hartproblemen worden niet aanbevolen en een behandeling met digoxine zonder
zorgvuldige controle is gevaarlijk en kan tot ernstige hartritmestoornissen leiden.
Gebitsontwikkeling
Doordat de kauwspieren en de sluitspieren rond de mond niet in dezelfde mate zijn verzwakt
en bovendien de tong meestal vergroot is, kan er een zogenaamde kruisbeet optreden ter
plaatse van de molaren (grote kiezen). Dat wil zeggen dat de molaren in de onderkaak te
ver naar buiten staan ten opzichte van die in de bovenkaak. In een later stadium ziet men
in ditzelfde gebied -de molaarstreek- ook regelmatig een open beet ontstaan doordat de
tong als het ware op de kauwvlakken van de kiezen ligt. Orthodontische behandeling van
afwijkingen die veroorzaakt worden door de afwijkende funktie van de spieren (incl. tong)
heeft niet zoveel zin omdat de oorzaak niet weggenomen kan worden en de kans op terugkeer
van het probleem groot is.
Hoofdstuk 6
Fase V
Adolescente fase
Leeftijd van ongeveer 12 tot 18 jaar
In dit stadium zal de teruglopende spierkracht het loopvermogen van de patiënt verder
verminderen zodat hij geen langere periode meer kan lopen zonder hulp. Alleen korte
afstanden kunnen zonder buitensporige vermoeidheid overbrugd worden. Dit is het moment om
het gebruik van een rolstoel te overwegen, zowel voor activiteiten buiten de deur als ook
voor binnen. Hoewel de rolstoel vaak gezien wordt als het tastbare bewijs van een
onomkeerbaar proces, moet het gebruik ervan, dat onvermijdelijk is, niet als een ramp
worden gezien. Integendeel zelfs, het neemt vaak een lichamelijke last weg van het kind en
in deze fase helpt het hem meer dan dat het hem hindert bij het uitvoeren van zijn
dagelijkse activiteiten.
De meeste jongens met Duchenne Spierdystrofie stoppen met zelfstandig lopen tussen de 10
en 12 jaar. Degenen die na hun twaalfde nog kunnen lopen zonder lange been beugels hebben
mogelijk een mildere vorm ofwel Becker spierdystrofie. Het is verstandig hun
oorspronkelijke diagnose te controleren middels moderne technieken.
De rolstoel
In de meeste gevallen moet vanaf het begin een elektrische rolstoel worden gebruikt, omdat
een rolstoel die de patiënt zelf met de hand moet voortbewegen maar een paar maanden
gebruikt kan worden. Een smalle en lichte handbedieningsrolstoel wordt echter aanbevolen
voor verplaatsing binnen het huis en voorhet bezoeken van plaatsen die niet zijn aangepast
aan een electrische rolstoel.
Men moet de maat en het gewicht van de rolstoel, en ook de configuratie van de wielen en
hun diameter, kiezen op basis van de lichaamsgrootte en het beoogde gebruik: buiten of
binnen. Men moet de rug van de rolstoel met de hoofdsteun in een bijna horizontale positie
kunnen brengen zodat de ruggengraat zich van tijd tot tijd kan ontspannen, bovendien moet
het mogelijk zijn de rugleuning en zitting gelijktijdig achterover te klappen. De
voetsteunen moeten apart verstelbaar zijn zodat de zithouding veranderd kan worden. Om de
wervelkolom zo recht mogelijk te houden en om te vermijden dat de patiënt asymmetrisch
zit, moet de lumbale lordose goed gesteund worden en het controle-paneel van de en de
armleuningen dichtbij het lichaam worden geplaatst. Om veiligheidsredenen moet de rolstoel
een veiligheidsriem hebben, die elektrisch aantrekt.
De adolescentiefase wordt gekenmerkt door een snelle toename van de bestaande verkortingen
bij de heup-, knie- en enkelgewrichten en van de kromming van de werevlkolom
(kyfoscoliosis). Contracturen van de ellebogen, polsen en vingers zullen langzamerhand
onstaan. Jongens die uitsluitend hun rolstoel gebruiken, klagen over pijnlijke plekken op
hun billen door de druk en koude voeten. Tot op zekere hoogte kan dit verbeterd worden
door een correctie van de zithouding met kussens en middels de electrische functies van de
rolstoel waarmee de jongen zelf zijn zithouding net zo vaak kan veranderen als hij zelf
wil.
Fysiotherapie
Op dit punt vormt de verdere ontwikkeling van verkortingen van de beenspieren een
belangrijk ongemak voor de patiënten. Eigenlijk is alleen een zittende houding mogelijk
en kunnen de patiënten alleen op hun zij slapen of op hun rug met gebogen knieën en
kussens onder hun benen. Daarom moeten er regelmatig weer stretchoefeningen voor de
spieren en de pezen worden uitgevoerd om de voortgang van de verkortingen in ieder geval
enigszins te vertragen. Dit zelfde geldt ook voor de armen.
De fysiotherapeut dient de patiënt te begeleiden bij de therapeutische maatregelen die
zijn levensverwachting en de kwaliteit van zijn leven behoorlijk kunnen verhogen: de
scoliosis operatie en kunstmatige beademing. Het is ook de rol van de fysiotherapeut om de
patiënten en de ouders op deze ingrepen voor te bereiden.
De jonge man is nu oud genoeg om zelf te beslissen hoe hij behandeld wil worden en om zelf
zijn tijd in te delen. Samen met de deskundigen moet hij beslissen hoe hij zijn
lichamelijke oefeningen in zijn dagelijkse leven wil integreren. Hij behoort voldoende
tijd over te houden om zijn sociale en intellectuele leven zo te ontwikkelen dat hij zijn
lichamelijke handicap zoveel mogelijk kan compenseren.
Het doel van de fysiotherapie is om de lichamelijke zelfstandigheid zoveel mogelijk in
stand te houden door lichamelijke oefeningen en door interactie met de omgeving. Er
bestaat een steeds ruimer scala aan technische hulpmiddelen om zwakte en handicaps te
compenseren. Aangezien de fysiotherapeut vaak dichter bij de familie staat dan de andere
medische specialisten, kan hij of zij vaak een bemiddelende rol spelen. Hij of zij kan
advies geven als het tijd is voor bepaalde ingrepen, bijvoorbeeld het gebruik van
kunstmatige beademingshulpmiddelen zoals IPPB (intermittent positive pressure breathing)
of hulpmiddelen om de luchtwegen vrij te houden van afscheidingen zoals CPAP (continuous
positive airway pressure). Hij of zij moet ook de ouders geassisteerde hoesttechnieken
leren om slijmophoping te verwijderen en levensbedreigende ademhalingsincidenten te
verhelpen.
Ademhaling
De prognose voor Duchenne patiënten, d.w.z. zijn toekomstige leven, hangt in belangrijke
mate af van zijn ademhalingsfunctie. De spieren nodig voor de in- en uitademing worden
door de ziekte aangetast en ook afwijkingen in de wervelkolom leiden tot
ademhalingsproblemen. De gevolgen zijn slaapstoornissen en luchtweginfecties die tot
kritieke situaties kunnen leiden.
De ouders en hun zoon dienen de symptomen te herkennen en moeten, zo nodig, onmiddellijk
contact opnemen met de deskundigen om met ademhalingsondersteuning te beginnen. Het
disfunctioneren begint met symptomen van nachtelijk hypoventileren: slapeloosheid,
nachtmerries, rusteloosheid, herhaald wakker worden tijdens de nacht, hoofdpijn in de
nacht en ochtend, vermoeidheid overdag en slaperigheid, afname van intellectueel
presteren, geen eetlust, gewichtsverlies, vaak ademhalingsinfecties en
hartritmestoornissen. In zo'n geval moeten de bloedgassen O-2 en CO-2 in een druppel bloed
uit het vingertopje worden gemeten, en het maximale ademvolume en de kracht van de
ademhalingsspier. De ademhaling tijdens het slapen moet gecontroleerd worden. Symptomen
van hypoventilatie bij een patiënt die minder dan 30% spierkracht heeft, minder dan 50%
of minder dan 1,5 liter vitale capaciteit, arteriële O-2 druk (PaO2) van minder dan 75
mmHg en/of CO-2 druk (PaCO2) van meer dan 45 mmHg, en/of een nachtelijke desaturatie (SpO2
< 90%) zijn indicaties om behandeling te beginnen. Slikstoornissen en bijkomende
factoren zoals zwaarlijvigheid en roken verhogen het risico.
De behandeling moet beginnen met instructie van ouders en patiënten om infecties te
voorkomen, gewicht te controleren, problemen met de ingewanden, zoals constipatie, te
voorkomen, en om klaar te staan om te helpen bij het hoesten en het verwijderen van slijm.
Vervolgens moet men beginnen met kunstmatige beademing tijdens de nacht via een neusmasker
en later ook beademing overdag via een mondstuk. Aanvankelijk verhelpt de nachtelijke
beademing de meeste symptomen van hypoventilatie. Intermitterende beademing via een
mondstuk overdag, die de patiënt zo vaak als hijzelf nodig vindt kan gebruiken (4 tot 5
keer per minuut) met behulp van apparatuur die geïnstalleerd is op de rolstoel, is heel
effectief en bijna verslavend. Het kan altijd gebeuren dat het apparaat niet goed
functioneert en daarom moet er op ieder moment technische steun voor handen zijn, ook `s
nachts. Preventieve beademing voordat de symptomen optreden is niet effectief. Beademing
met uitsluitend zuurstof is niet geïndiceerd en kan zeer gevaarlijk zijn! Beademing via
een gaatje in de luchtpijp (tracheostoma) is geïndiceerd als de patiënt weinig
ademhalingsautonomie heeft en weinig resultaat laat zien bij de hierboven beschreven
beademingstechnieken of als slikstoornissen leiden tot chronische aspiratie
("inademen") van speeksel en voedsel. Hoewel beademing via een tracheostoma heel
effectief is, is het niet omkeerbaar en verhoogt het drastisch de afhankelijkheid van zorg
die niet in elk geval beschikbaar is.
Geassisteerd hoesten
Het verwijderen van afscheiding uit de longen, dat normaal met hoesten gebeurt, is
moeilijk voor patiënten wier abdominale en ademhalingsspieren ernstig verslechterd zijn.
Speciaal opgeleide fysiotherapeuten weten hoe zij de patiënt kunnen helpen en dienen deze
techniek, die in een noodgeval levensreddend kan zijn, aan ouders of andere verzorgers te
demonstreren. Dit is heel belangrijk omdat het niet kunnen hoesten in een noodgeval zeer
vaak tot de verstikkingsdood leidt.
Operatieve correctie van scoliosis
Als de patiënt overwegend de rolstoel begint te gebruiken, leidt de voortschrijdende
verzwakking van de rugspieren tot een progressieve vervorming van de wervelkolom, d.w.z.
er ontwikkelt zich een scoliosis. Deze misvorming kan niet met korsetten worden
gecorrigeerd, maar alleen met een chirurgische stabilisatie. Van de diverse chirurgische
technieken wordt de Luque en de Cotrel Dubousset techniek het meest gebruikt, waarbij de
wervelkolom gestabiliseerd wordt met twee stalen pennen die met lussen metaaldraad of met
schroeven aan de wervels worden bevestigd. Deze tamelijk uitgebreide operatie is routine
geworden en in de westerse wereld wordt 80% van de Duchenne patiënten zo behandeld. Deze
operaties dienen alleen te worden uitgevoerd in centra met ervaring en alleen als de
nazorg gedurende enkele jaren gegarandeerd is.
Op het moment van de wervelkolomcorrectie hebben Duchenne patiënten vaak een
cardiomyopathie, meestal zonder klinische tekenen van hartinsufficiëntie. Het is niet
eenvoudig om voor de operatie de werkelijke hartbelasting-tolerantie in te schatten. Het
is opmerkelijk dat Duchenne patiënten tijdens de scolioseoperatie meestal geen problemen
met de linker hartventrikel vertonen, maar vaak insufficiëntie van de rechterventrikel.
Zij hebben ook een deficiëntie van de bloedplaatjes-functie ondanks een normale
bloedingstijd en hebben daarom tijdens de operatie vaak een bloedtransfusie nodig. Ook het
gebruik van de protease remmer aprotinin verdient aanbeveling.
Na de operatie heeft de jongen meestal geen korset nodig. De operatie heeft in het
algemeen geen negatieve invloed op de groei van de patiënt aangezien de groei van de
ruggengraat meestal gestopt is bij de leeftijd van 12 tot 14 jaar. Omdat de ruggengraat
recht gezet wordt bij de operatie, worden de kinderen juist iets langer. De meerderheid
van patiënten en ouders hebben een positief oordeel over de zithouding, de cosmetische
verbetering en de levenskwaliteit na de operatieve correctie van de wervelkolom. Meer dan
90% zou weer toestemming geven voor deze nogal uitgebreide operatie.
Het beste moment voor de operatie is als de kromming van de wervelkolom in zithouding iets
meer is dan 20 graden en verder voortschrijdt. Preventieve operaties voor het ontstaan van
scoliosis worden niet aanbevolen. Voorwaarden voor de operatie zijn een goede algemene
conditie van de patiënt en een minimaal longvolume van 30% van het normale. De mate van
de kromming is echter normaal gesproken niet de beperkende factor voor de operatie. De
correctie van scoliosis door chirurgie vergroot niet noodzakelijkerwijs het longvolume,
maar de jongens kunnen beter ademhalen en hebben naderhand minder hulp bij de beademing
nodig. Bovendien heeft het een gunstig effect op voorkoming van vergroeinaar de
mogelijkheden om ng van de borstkas. Het is belangrijk na de operatie de rolstoel en
de tafelhoogte aan te passen zodat de jongen zijn handen kan blijven gebruiken om te eten
en te schrijven zoals hij dat voor de operatie gewend was.
School en beroepsopleiding
Er zijn veel Duchenne patiënten die naar de middelbare school gaan of zelfs naar de
universiteit. Als de juiste technische hulpmiddelen beschikbaar zijn, bestaan er praktisch
geen beperkingen voor een goede opleiding zolang er geen lichamelijke kracht vereist
wordt. Computerprogrammeur komt vaak op de eerste plaats als mogelijk beroep, maar er
bestaan nog vele andere mogelijkheden zoals: vertaler, grafisch ontwerper, docent,
advocaat, telefonist, secretaresse, schrijver, zelfs politicus. De ouders en de hele
familie moeten de jongen aanmoedigen en helpen als hij een bepaalde beroepsopleiding wil
volgen. In veel landen is financiële hulp beschikbaar voor de opleiding van
gehandicapten.
Psychologisch advies
Bij het begin van de puberteit worden Duchenne jongens zich sterker dan voorheen bewust
dat zij geen normaal emotioneel en seksueel leven zullen kunnen leiden. Hier wordt vaak
weer de hulp van een professionele psycholoog ingeroepen.
Hoofdstuk 7
Fase VI
Volwassen fase
Leeftijd boven de 18 jaar
In dit stadium zijn de meeste skeletspieren gedegenereerd en is de patiënt afhankelijk
van een aantal technische hulpmiddelen waaronder permanente kunstmatige beademing. Ondanks
deze situatie kunnen de patiënten, als zij dat willen en als zij alle noodzakelijke
technische hulpmiddelen ter beschikking hebben, een zinvol en zelfs productief leven
leiden. Maar persoonlijke assistentie zou erg handig zijn voor die patiënten die
onafhankelijk van hun ouders willen worden.
Specifieke problemen
De moeilijkheden die in dit stadium kunnen onstaan zijn bijvoorbeeld
problemen met rechtop zitten en met de hoofdhouding, ook het bedienen van de joystick van
de rolstoel kan soms problemen geven. Meestal kunnen deze problemen opgelost worden door
technische aanpassingen van de rolstoel. Problemen met het gebruik van het toetsenbord van
de computer kunnen opgelost worden door het gebruik van een mini toetsenbord die met één
hand kan worden bediend. In het geval van slikproblemen moet voor een juiste houding van
het hoofd worden gezorgd; het kan nodig zijn om fijngemaakt en vloeibaar eten te geven.
Slaapproblemen veroorzaakt door een gebrek aan lichaamsbeweging kunnen verbeterd worden
door het gebruik van schuimrubbermatrassen of een speciale luchtmatras, waarvan de
zijkamers om de beurt kunnen worden opgeblazen, en hulpmiddelen die druk van de deken op
de voeten voorkomen, zoals een voetenrek. Transportproblemen kunnen worden verholpen door
hydraulische lifthulpmiddelen in de wc en badkamer; speciale bedden die elektrisch kunnen
kantelen zijn vaak onmisbaar.
De jonge mannen zijn volwassen.
Hoewel de meeste beslissingen over zijn leven door zijn ouders moesten
worden genomen, is de jongeman met Duchenne spierdystrofie nu volwassen. Dit betekent dat
hij zelf kan en moet beoordelen of en in hoeverre hij de voorstellen van zijn medische en
sociale adviseurs wil aanvaarden. Dit is vooral belangrijk als er beslist gaat worden om
met kunstmatige beademing met of zonder tracheostoma te beginnen. Zelfs de belangrijkste
beslissing, namelijk of er om medische noodmaatregelen zal worden gevraagd, als die
noodzakelijk mochten worden, moet aan de patiënt zelf worden overgelaten. Eigenlijk moet
hij zijn wensen kenbaar maken en de overeenkomstige instructies op een juridisch bindende
wijze geven, voordat zich noodgevallen voordoen.
School, opleiding, beroepsleven.
Zoals al eerder werd gezegd, zijn er praktisch geen beperkingen voor
een goed verzorgde jongeman met Duchenne spierdystrofie, die alle benodigde technische
hulpmiddelen heeft, om naar school of de universiteit te gaan of een beroep uit te
oefenen. In de meeste landen bestaan wetten die de discriminatie van gehandicapte mensen
verbieden. Dit houdt in dat alle fysieke barrières die toegang verhinderen verwijderd
moeten worden en dat alle hulp gegeven moet worden zodat mensen met Duchenne
spierdystrofie aan alle dagelijkse activiteiten kunnen deelnemen. Maar een uitstekende
opleiding vormt geen automatische garantie voor een passende werkplek of professionele
positie. Het zal moeilijk zijn om werk te vinden, omdat er veel competitie is en afwijzing
ernstige gevolgen kan hebben. Onbetaald of onderbetaald werk is vaak beter dan helemaal
geen werk.
Seksualiteit.
Dit is een heel moeilijk onderwerp, omdat Duchenne patiënten seksueel
heel normaal zijn, maar hun handicap maakt het hun bijna onmogelijk een normaal seksueel
leven te leiden. Niet alleen om deze problemen is het noodzakelijk dat de jonge
volwassenen voldoende privacy hebben. Het zou makkelijker zijn dit te bereiken als ze
buiten hun ouderlijk huis zouden kunnen wonen in een omgeving die zelfstandig wonen en
relaties aanmoedigt. Hoewel het nog uitzonderlijk is, is het bekend dat er huwelijken of
relaties tussen patiënten en niet-gehandicapte vrouwen bestaan. Duchenne patiënten
kunnen kinderen krijgen. Als de vrouwelijke partner zelf geen Duchenne draagt, kan de
aangetaste X-chromosoom alleen worden overgedragen op dochters. De zonen zijn dus helemaal
vrij van de ziekte en zouden het ook niet verder overdragen, terwijl alle dochters
genetische dragers zouden zijn die later het gemuteerde gen op 50% van hun kinderen kunnen
overdragen.
Hoofdstuk 8
Conclusie en vooruitzicht
Duchenne spierdystrofie heeft altijd bestaan bij mensen en ook bij alle dieren die spieren
hebben. In de vorige eeuw is het vernoemd naar de Franse dokter Duchenne de Boulogne die
het in 1868 beschreef. Van de wijze van erfelijkheid was aan het begin van deze eeuw
bekend dat een defect op het X-chromosoom verantwoordelijk was voor de ziekte, maar pas in
1986 werd het gen zelf, het dystrofine gen geïdentificeerd en kort daarna werd het
dystrofine eiwit, dat bij Duchenne patiënten ontbreekt , gedetermineerd. Het snelle tempo
van het genetische onderzoek veroorzaakte een optimisme dat een gen-therapeutische
benadering spoedig het gen en het eiwit zou kunnen vervangen en zo de ziekte genezen.
Dit optimisme was voorbarig. De eerste klinische studies in 1991 met een gen vervangings
methode, myoblast overdracht, lieten zien dat een techniek die veelbelovend lijkt bij
proefdieren zoals muizen geen effect had bij Duchenne jongens. Nu, meer dan een decennium
na de ontdekking van de gen, is er nog steeds geen therapie, noch voor Duchenne
spierdystrofie, noch voor enige andere erfelijke ziekte zoals bijvoorbeeld Cystic Fibrose
(taaislijmziekte) Een hele reeks van technieken om het juiste gen te vervoeren, middels
virussen of andere vectoren, wordt bestudeerd bij dystrofische muizen en honden. Maar
voordat zij in de spieren van kinderen kunnen worden geïnjecteerd, moet bewezen worden
dat het een veilige en effectieve methode is . Eerst bij muizen, dan bij honden en
uiteindelijk bij jongens met Duchenne spierdystrofie. Dat wil zeggen dat zij eerst het
opnieuw verschijnen van dystrofine aan de binnenkant van de spiercelmembraan moeten
veroorzaken en de spierfunctie aanmerkelijk verbeteren.
De volgende stap is de ontwikkeling van een methode die de toepassing via de bloedbaan
mogelijk maakt, zodat alle spieren, ook die van het hart en de long, bereikt kunnen
worden. Al deze studies vereisen tijdrovende experimenten met grote groepen Duchenne
patiënten. En last but not least moet men rekening houden met het technische en
economische aspect van grootschalige fabricatie van het therapeutische middel.
Al deze eisen moeten overwogen en geëvalueerd worden voordat men enige voorspelling kan
doen hoe lang het nog gaat duren voor er een veilige en effectieve behandeling beschikbaar
zal zijn voor kinderen met Duchenne Spierdystrofie. Het antwoord op deze vraag is
ongelooflijk belangrijk voor Duchenne patiënten en hun familie. Het zal waarschijnlijk
nog ettelijke jaren, eerder 10 dan 5 jaar, duren voordat Duchenne Spierdystrofie
overwonnen wordt. Dit is niet wat men gehoopt had, en dat is de negatieve zijde van dit
moeilijke probleem, maar de positieve kant is dat meer en meer goede en toegewijde
wetenschappers over de gehele wereld aan een genezing werken: Het is zeker dat er een
effectieve therapie komt, vroeger of later. |